Le crotoy
Een zijstraat, een laatste huizenrij misschien.
De stapelwolken daarboven zouden zich nu in het zeewater spiegelen, het water van de rivier dat vergeefs tegen het opkomend tij optornde, zich ver en diep door de ebstroom liet meevoeren.
Zo moeten er plaatsen zijn, onvindbare plekken ergens in de oceanen, waar alle rivieren, alle gedachten samenkomen, vervloeien, uitwaaieren, doven.
Dwars over het rood- en crêmekleurige zadel van een brommer, de skalieren duoseat van een op z’n standaard gezette, stationair draaiende brommer, lag een dode patrijs – een fazantehaan. Z’n kop vlak boven de in de omhoogstaande trapper ingevroren reflektor, de bries die de schubkorte donkere halsveertjes streelde, z’n roestige borst.
Bijna raakte het bemodderde, honderdspakige voorwiel de trottoirband. De voordeur waar het naar wees bleef gesloten. Niemand.
Alleen de zee, de nabijheid van de zee, verleent aan het woord bries die door het licht gezouten, onvervreemdbaar weemoedige klank.
Wat telt
Het enige dat daarna nog telt is het opkomen, het komen bovendrijven van het beeld. Nevels van grijzen, doorgedrukt zwart, het wit van de haast willekeurige uitsparingen. Populieren – waren het werkelijk populieren? – plotseling op de achtergrond. Hoog in hun kruinen verschijnen de laatste, tot in het nu voortritselende bladeren, wonderlijk genoeg juist daar.
Zij – ze strijkt haar haren uit haar gezicht. Ze heeft haar lippen een klein stukje van elkaar alsof ze iets wil gaan zeggen. Wat? Ik herinner me dat het praktisch windstil was. Het lichte golven van de ontwikkelaar doet nauwelijks iets aan die indruk van volstrekte roerloosheid af.
Ik had, geloof ik, in de lucht boven de toppen van de bomen graag een zwerm vogels gezien, toen. Of bedenk ik dat nu voor het eerst? Het moment dat ze opvlogen, van die omgekeerde grijpbewegingen makend, en de takken loslieten – het zou hoe dan ook de boomkruinen in beweging hebben gebracht. Een enkel detail dat alle andere details veranderd zou hebben.
Wat gebeurde er die middag?
En: wat heeft ze gezegd, stond ze op het punt te gaan zeggen?
De meeste foto’s zijn klaar, zijn geglansd en gedroogd. De vloer van de kamer ligt ermee bezaaid. Ik loop op sokken om ze niet te beschadigen. Ze laten nauwelijks zien wat er niet meer is, wat voorbij is en over, over maar nog lang niet voorbij. Ze laten zien wat er misschien nooit is geweest.
Ze zijn de verkeerde kant van het negatief.
Onder de horizon
Iemand die, in een vreemd licht zomers pak, een lege schommel opduwt – die zich ondertussen half en half omdraait en verlegen naar je lacht. Van zijn onmiddellijk vervagende gezicht blijft alleen die glimlach over. Even maar.
Een stuk van een slordig opgevouwen krant, die hij nu blijkbaar liever niet leest, steekt uit de zijzak van zijn jasje. De omslagen van zijn te lange broekspijpen laten de neuzen van zijn bruine gevlochten schoenen nog net onbedekt. Zon. De gazen, grootmazige, zachtjes bewegende schaduw. Het loommakende gekakel van de kippen.
Wanneer de plank naar hem terugkeert vangt hij die met één hand weer op en werpt hem met kracht van zich af.
De touwen, het enigszins naar olie ruikende touw. De uitgesleten ogen, de roestige gekrulde haken. Boven de tuin en de ochtend uit, het oranje en geel van de oostindische kers, de meer dan manshoge rietmat ging je. Telkens als je op het hoogste punt was raakten je schouderbladen elkaar bijna. Dan moest er een ongrijpbaar ogenblik van stilstand zijn, zoals ook de meeklimmende horizon dat iedere keer kende. Maar altijd weer kwam het vallen, het ruggelingse alles omhoogjagende vallen.
Iets in je zwaait nog steeds uit – langzamer en langzamer uit en uit.
Heden
De trappen van het Luxor. In het midden die smalle kassa met dat heel kleine luikje, een eind boven straatniveau, links en rechts de vitrines waarin met spelden vastgeprikte filmfoto’s en grote gekleurde affiches hingen, al dan niet voorzien van plakstroken die altijd hetzelfde schreeuwden: heden en verwacht.
Haar vader was in de rij gaan staan. Zij stond beneden, op het trottoir, en keek naar de prijs achter het geheimzinnige woord Parterre, naar de plaats waar de rij zich, tussen het loket en een ongeverfd ijzeren dranghek, versmalde. Een minuut of tien nog.
Ze voelde hoe iemand vlak langs haar heen liep. Ze keek opzij. Een jongen in een lichtgroen jasje, bijpassende plusfour, geruite kniekousen, besteeg op zijn gemak de zes, zeven treden. Toen pas zag ze – haar vader was bijna aan de beurt – ook de ander. Hij stond voorovergebogen bij het loket. Zijn strak achterover gekamde haar glom zo, dat ze de brillantine opnieuw meende te ruiken. Precies zo’n pak, zulke kousen. Die jongen van daarstraks had zich aan de kop van de rij opgesteld en wachtte.
Een moment lang aarzelde haar rechtervoet tussen de ene en de andere trede.
Zijn evenbeeld telde zijn kwartjes en dubbeltjes neer met twee duimen tegelijk – aan de hand waarmee hij bruusk zijn kaartjes naar zich toe haalde zaten er eveneens twee. Toen hij daarna op zijn tweelingbroer afliep waren heel even alle vier hun handen duidelijk zichtbaar. Ze kon, wilde haar ogen niet geloven.
Ook tijdens de pauze zag ze ze niet terug. Misschien hielden ze zich in de zijgang op, in de schemerige ruimte voor de stinkende mannen-w.c.’s. Ja, samen zouden ze daar nu staan roken, onverschillig tegen de wand geleund. Maar hoe, vroeg ze zich af, hielden ze hun sigaretten vast?
Buiten was het al donker. Ze moesten voortmaken. Ze durfde er tegen haar vader niet over te beginnen. Tot aan de bushalte liet ze zijn hand niet meer los. Af en toe vond haar duim als vanzelf de zijne.
Bovengronds
Tijdloos leek het zingen dat door hun draden ging. Afstanden deden ze krimpen, de verte vergrootten ze doordat ze het landschap een perspektivischer aanzien gaven. Later dan de straatweg die ze volgden, altijd iets later, verdwenen ze uit het gezicht.
We schoten met onze katapulten niet op vogels maar op de porseleinen isolatoren. Eens in de zoveel weken of maanden moest er een aantal van worden vernieuwd. Dan kwamen er mannen die met sikkelvormige, scherp getande ijzers voor op hun schoenen tot boven in de gecarbolineerde palen klommen. Om en om sloegen ze die ijzeren beugels rond het hout. Een uiterst langzaam, de middagen vertragend, moeizaam klimmen was het. Nooit mocht het zingen verstommen.
Ik ben afgestapt. Evenwijdig aan de weg liggen een stuk of zes net gevelde telefoonpalen. De laatste uit de omgeving. Ze verspreiden een lang meegedragen carbolineumgeur. Een paar meter verderop vind ik in het gras een stel op een hoop gegooide porseleinen knoppen. Sommige hebben schroeiplekken, de strakke dubbele lus van koperdraad nog om de hals. Ze zijn zwaarder dan ik ooit kon vermoeden. Ik prop er zoveel mogelijk in mijn fietstas.
Het ene handvat dat ik daarna vasthoud is dat van een katapult. Ik voel de vorm van een kiezelsteen door het leertje heen, rek het weckfleselastiek ver uit.
Pas als ik loslaat is de verbinding tussen toen en nu voorgoed verbroken.