1. Kvido had volgens Zita’s berekeningen in de eerste week van augustus in het jaar negentienhonderdtweeënzestig in de kraamkliniek van Praag-Podolí geboren moeten worden.

Zijn moeder had in die tijd twaalf theaterseizoenen achter de rug, ofschoon ze de meeste van haar overwegend kinderrollen in de stukken van Jirásek, Tyl, Kohout en Makarenko als licht compromitterende jeugdzonden beschouwde. Ze was overigens een vierdejaars rechtenstudent en haar aandeel als figurante bij het Theater van het Tsjechoslowaakse leger in Praag-Vinohrady zag ze nog maar als een vrijblijvende hobby (wat haar er aan de andere kant niet van weerhield de min of meer toevallige omstandigheid dat zij buiten het theaterseizoen uitgerekend was, tegenover de succesrijkere collega’s te presenteren als een kwestie van van-zelfsprekende professionele discipline). Hoe paradoxaal het ook mag klinken, onder het vemislaagje van amateuristische geestdrift was Kvido’s moeder – de voormalige ster van schoolvoorstellingen – in werkelijkheid heel preuts en behalve Zita mocht niemand haar dan ook onderzoeken. Mevrouw Zita, de chef-arts van de Podolí-kraamkliniek en de jarenlange vriendin van oma Líba, die Kvido’s moeder al van kindsbeen af kende, trachtte geduldig aan haar grillen tegemoet te komen en beloofde haar de diensten van de artsen zo te reorganiseren dat op de kritieke dag geen enkele man op de zaal zou assisteren.

‘Je moet in Podolí bij Zita zijn, daar doet geen bevalling je pijn,’ rijmde oma Líba onder het middageten, en zelfs de vader van Kvido’s vader, opa Josef, ofschoon a priori sceptisch tegen alles wat communistisch was, de gezondheidszorg uiteraard niet uitgezonderd, was bereid toe te geven dat de waarschijnlijkheid van het vermorzelen van Kvido’s hoofdje door een tang dit keer toch ietsje kleiner was dan anders.

Het enige waar niemand rekening mee hield, was een druipende zwarte herdershond, die al op de avond van de zevenentwintigste juni in de roodachtige zonneschijn opdook op de kade van de Moldau net toen Kvido’s moeder moeizaam uit een taxi kroop, en die haar – na een korte, onhoorbare aanloop – tegen het warme pleisterwerk van het huis op de hoek van het Annaplein drukte. Je kunt niet zeggen dat de bedoelingen van deze zwerfhond uitgesproken vijandig waren – bovenal beet hij haar niet één keer; het was genoeg dat hij met zijn hele gewicht op haar tere schouders rustte terwijl hij – zoals moeder het zelf later niet geheel gelukkig uitdrukte – ‘de ranzige lucht van een lang niet gepoetste mond’ in haar gezicht hijgde.

‘Aááááá!’ krijste Kvido’s moeder toen ze enigszins bekomen was van de eerste schrik.

Kvido’s vader, die in de geest van de afspraak voor de ingang van het theater Op de Balustrade wachtte, hoorde de kreet en schoot er meteen op af. Hij was er weliswaar niet zeker van aan wie deze door angst vervormde stem toebehoorde, maar desondanks ontkiemde in hem direct een eigenaardige achterdocht, die hij moest wegnemen.

‘Aáááááááá!’ krijste Kvido’s moeder nog doordringender, want de hond verbrijzelde nu letterlijk met zijn voorpoten haar broze sleutelbeenderen. De achterdocht van Kvido’s vader werd helaas bewaarheid. Een moment verstijfde hij, verlamd door iets ongekend sterks, maar toen bevrijdde hij zich van die kracht en holde naar de hem dierbaarste stem. Hij sprintte over het granieten plaveisel van het plein, vervuld met woede en liefde, omdat hij meende dat zijn vrouw was aangevallen door weer een van de dronkelappen, die ze sinds ze de serveerster Hettie in Weskers De keuken had gespeeld, niet trachtte gewoon behoedzaam te ontwijken, maar ergens van te overtuigen. Daarop zag hij echter hoe zijn vrouw met haar laatste krachten opbokste tegen die reusachtige zwarte last, en deed hij iets waarmee hij in Kvido’s ogen voor altijd boven zijn één meter en tweeënzeventig centimeter uitgroeide: al rennend pakte hij de dichtstbijzijnde vuilnisbak, tilde die omhoog en sloeg met de onderrand ervan de hond met enkele klappen ter plekke dood.

Kvido’s moeder bevestigde later dat die vuilnisbak vol zat, wat men, vind ik, redelijk gegrond kan uitsluiten. Erger evenwel is dat ook Kvido zelf aanspraak maakt op een bewust aandeel – en bijgevolg ook op het recht op een getuigenverklaring – in het hele voorval: ‘Uiteraard ontken ik niet dat ik toen – zoals iedere andere vrucht – met de grootste waarschijnlijkheid blind was,’ beweerde hij later, ‘maar op een of andere manier heb ik de dingen kennelijk moeten waarnemen, want hoe kan ik anders die vreemde ontroering verklaren, die me tot op de dag van vandaag elke keer weer overmant als ik vuilnismannen aan het werk zie?’

Klaarblijkelijk in een streven Lev Tolstoj te overtreffen, wiens geheugen vermeend tot het prilste begin van zijn kindertijd reikte, ging Kvido nog verder: Zijn jongere broertje trachtte hij jaren later bijvoorbeeld wijs te maken – met een ernst die iets ijzigs in zich had – dat hij in staat was zich precies dat ‘Rembrandteske duistere beeld van moeders eitje, op de wijze van een zwaluwnest vastgeplakt aan het slijmvlies van de baarmoeder’ te herinneren.

‘Jezus, Kvido, wat kan jij lullen!’ zei Paco kwaad.

‘Als ik dat incident met de hond niet meereken, moet ik zeggen dat de zwangerschap voor iedere enigszins intelligente vrucht een onvoorstelbaar saaie bedoening is,’ vervolgde Kvido onverstoorbaar. ‘Ik zeg expres voor een intelligente vrucht – en dus niet voor die kale, verlamde grotsalamanders, zoals jij er tussen twee haakjes bijvoorbeeld een was, en dat zelfs nog tot een paar dagen ná de bevalling, toen ik helaas jouw lelijke, paarse gezicht moest aanschouwen. Maar misschien ben je ten minste in staat je vóór te stellen hoe verschrikkelijk saai die ruwweg tweehonderdzeventig, absoluut identieke dagen waren, waarin je reeds ontwaakte bewustzijn ertoe veroordeeld is om louter passief in het vruchtwater te staren en af en toe sloom tegen de buikwand te schoppen, zodat zij daarboven niet nodeloos in paniek raken? Tweehonderdzeventig lange dagen, die een jong intelligent persoon met aanleg tot humanoria moet doorbrengen als een kunstzwemster in training voor de Olympische spelen! Tweehonderdzeventig dagen zonder één enkel fatsoenlijk boek, zonder één enkel geschreven woord, als ik natuurlijk de weinig originele opdracht in Zita’s ringetje buiten beschouwing laat! Negen maanden in een donker aquarium! De laatste drie maanden heb ik slechts gebeden dat moeder eindelijk een van die onzinnige taboes zou doorbreken en met mij op een motor over een hobbelweg zou rijden of me twee, drie fikse trekjes van een sigaret zou sturen of meteen maar twee glaasjes witte vermout. Broertje, neem een ding van me aan: Die hond kwam me als uit de hemel gezonden!’

Kvido liet voor het eerst zijn ongeduld opvallend blijken kort nadat zijn moeder enigszins hysterisch huilend in vaders armen was gaan hangen. De dode hond echter trok op zich veel aandacht van het langslopende publiek en alleen de gedachte al aan een nieuw schandaal, ditmaal in de gedaante van een vroegtijdige geboorte, was onmiskenbaar te veel voor moeder. Ze droogde daarom snel haar tranen en antwoordde met een dappere, stralende glimlach op alle bezorgde vragen, dat alles met haar volkomen, werkelijk volkomen in orde was.

‘Mijn moeder,’ vertelde Kvido later, ‘verliet nooit een gezelschap om naar het toilet te gaan, als het niet mogelijk was het volledig ongemerkt te doen. En eerlijk gezegd, van jongs af aan kreeg ze al de zenuwen als ze gewoon haar neus moest snuiten.’

Aan deze intieme schroom, die iets bekoorlijk meisjesachtigs in zich had, dankte Kvido’s moeder slepende ontstekingen aan de neusholte en de urineblaas, een zogenaamde aangewende verstopping en sinds 27 juni 1962 dus ook de theatre-in bevalling: de eerste weeën kreeg ze al op het moment dat ze bij de garderobe de lichte, geruite paletot afgaf; desondanks bleef ze zich schrap zetten tegen Kvido – gehypnotiseerd als ze was door de smekende blikken van Kvido’s vader naast zich – tot het laatste doek viel, maar anderzijds ook geen minuut langer. Terwijl namelijk Estragon en Vladimir de laatste replieken uitwisselden en het bekende moment van de korte stilte aanbrak dat gewoonlijk aan het applaus voorafgaat, ontsnapte aan Kvido’s moeder de eerste gekwelde kreet, waarop direct een hele serie volgde. Kvido’s vader schoot uit zijn zitplaats en drong zich langs de rij verbouwereerde toeschouwers naar de foyer toe, vanwaar hij ergens de nacht in stormde, om – zoals hij blijkbaar meende – rustig en bedachtzaam voor al het benodigde te zorgen. Ter rechterzijde van Kvido’s moeder nam gelukkig een oudere dame het heft in handen: ze droeg haar twee buren op, een ziekenwagen te bellen en zelf trachtte ze de kraamvrouw uit de volle en benauwde zaal te leiden. Kvido’s moeder probeerde de vrouw ten koste van alles bij zich te houden, want ze moest er niet aan denken dat de bevalling zich in het bijzijn van zoveel mannen zou kunnen afspelen, en tegelijkertijd – zoals ze later beweerde – leek het haar niet op zijn plaats om de Beckettiaanse atmosfeer van existentiële wanhoop te verstoren door zoiets provocatief optimistisch als de bevalling van een gezond kind. Haar vastbeslotenheid ten spijt stortte ze echter voor de voeten van haar begeleidster neer, net op het moment dat ze door het gangpad voor het toneel liepen – waar twee mannen haar ten slotte op het podium tilden, vrijwel voor de voeten van Václav Sloup en Jan Libíček, die gekomen waren om te buigen, maar nu onthutst bleven staan. Het publiek, met uitzondering van enige tientallen vrouwen die zich zonder rekening te houden met hun avondtoiletten opgewonden op het podium wierpen om de jonge moeder iets van hun ervaringen mee te geven, bleef over het algemeen op zijn plaats, waarschijnlijk in de overtuiging dat de verlossingsscène, die op punt van beginnen stond, blijkbaar een onderdeel was van de vreemdsoortig geconcipieerde enscenering.

‘Water. Warm water!’ riep iemand ondernemend. ‘En schone lakens!’

‘Ontruim de zaal!’ verordende een van de twee aanwezige artsen die zich eindelijk een weg tot de kraamvrouw had gebaand.

‘Gaat u toch weg!’ verzocht hij dringend, maar niemand verroerde zich.

‘Aáááááá!’ schreeuwde Kvido’s moeder.

Een paar minuten later krijste een pasgeborene van het mannelijk geslacht door de zaal.

‘Hij is er al!’ schreeuwde Jan Libíček in een plotse inspiratie uit die Kvido haast noodlottig werd.

‘Godot! Godot!’ scandeerde het publiek enthousiast, terwijl de beide artsen bescheiden bogen. (De bijnaam vond gelukkig geen ingang.)

‘We zijn gered!’ riep Václav Sloup.

‘Hij heet Kvido,’ fluisterde Kvido’s moeder, maar niemand hoorde haar. Op de kade weerklonk de sirene van de naderende ziekenwagen.

 

2.‘Voor de duidelijkheid,’ zei Kvido jaren later tegen de redacteur, ‘ik ben beslist niet van plan die zogenaamde hele boom des levens uit te tekenen en zo lang aan zijn overvloedige takken te schudden tot er een dode bouwopzichter uit valt of de beheerder van Thuns landgoed, om me te vertellen wie ik ben, waar ik vandaan kom en dat Masaryk op de arbeiders heeft geschoten!’

‘Masaryk,’ zei de redacteur verzoenend, ‘laten we er maar liever buiten. Uw grootvader van vaders kant was mijnwerker?’

‘Nou, dan kiest u wel de goede uit!’ lachte Kvido. ‘Hij wilde hotelier worden! U had hem moeten horen! Toen in Tuchlovice een keer onaangekondigd bezoek kwam en de kameraden geen kans meer zagen om opa’s dienst om te gooien, haalden ze hem maar liever helemaal niet omhoog. Terwijl de overige mijnwerkers een onderhoud met de Partijdelegatie hadden, vloekte diep onder de grond mijn opa en sloeg als een razende op de buizen. De mijnwerkers noemden hem Assepoester.’

‘Dat is een goeie,’ zei de redacteur. ‘Alleen wat moeten we daarmee…’

‘Precies,’ zei Kvido. ‘Wat moeten we daarmee…’

Kvido’s vader was geboren met een hoge intelligentie in een laag milieu. Eenentwintig jaar lang liep hij er elke dag tegenaan: tegen het eeuwig opengeslagen dekbed, tegen de lucht van gas en opgewarmd eten, tegen de lege flessen en tegen het rondgestrooide vogelvoer. Recht onder het raam van hun eenkamerwoning op de begane grond in de Sezimastraat kotsten elke avond de zatlappen die uit het belendende café Banseth naar buiten kwamen. Op het vieze pleisterwerk zat vele malen uitgesmeerd bloed van de zigeuners uit Praag-Nusle. Opa vertrok ‘s ochtends vroeg of vlak na het middageten met de mijnwerkersbus naar Kladno; als hij thuis was, rookte hij en ijsbeerde nerveus door het vertrek, daarbij het vogelvoer vertrappend.

‘Wat een kloteleven,’ zei hij vaak.

Andere keren voederde hij urenlang de parkieten of draaide luid grammofoonplaten van Louis Armstrong en Ella Fitzgerald. Oma, een bontwerkster was aldoor thuis: van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat naaide ze. Ze liep moeizaam om de oude paspop heen, de mond vol spelden. Het parket kraakte. Kvido’s vader trachtte overal behalve thuis te zijn. Met zijn vriend Zvára klom hij op de vestingmuren van Vyšehrad. Ze verstopten zich in uitgerangeerde wagons op het station van Praag-Vršovice. Soms overnachtten ze in de aula van het gymnasium. Later zaten ze vaak in de studiezaal van de universiteit, zoals Kvido’s vader wenste, of in café Demínka, zoals Zvara wilde. Ze verrichtten vrijwilligerswerk en Kvido’s vader bracht twee avonden per week op het Taleninstituut door. Telkens als hij ‘s nachts was thuisgekomen en bij het licht van de kleine tafellamp, leunend op de bevuilde vogelkooi, uit het Engelse lesboek leerde, had hij soms het gevoel woorden uit een geheimzinnig gebed op te zeggen.

Ergens aan het begin van het achtste semester nam Zvára voor Kvido’s vader een kaartje voor het theater mee. Aan zijn uitdrukking viel duidelijk af te lezen dat zij, voor wie het kaartje oorspronkelijk bestemd was, om een of andere reden had geweigerd.

‘En hoe is het?’ vroeg Kvido’s vader. ‘Wie heeft het geschreven?’ Hij ging nooit naar het theater en het was niet waarschijnlijk dat de naam van het stuk hem iets zou zeggen, maar hij wilde een slag om de arm houden voor het geval het kaartje te duur was.

‘Geen zak aan!’ zei Zvára alsof hij begrip zocht bij de voorbijgangers. ‘Shakespeare, hè, wie anders!’

Maar hij vergiste zich. Ze speelden Lorca’s De wonderlijke schoenmakersvrouw. In de pauze kwamen ze een vroegere vriendin van Zvára tegen, die hen voorstelde aan haar metgezellin, een slank, gebrild meisje in een donkerblauwe fluwelen jurk met een wit kanten kraagje.

‘En niet onder de parkietenpoep,’ voegde Kvido er altijd aan toe.

Het was Kvido’s moeder.

 

Drie maanden later werd Kvido’s vader voor het eerst geïntroduceerd in de woning op het Plein van de Parijse Commune. Hij merkte vanzelfsprekend de grootte van beide kamers op, de hoogte van de plafonds, de glimmende piano en de vele schilderijen, maar de grootste indruk op hem maakte toch de studeerkamer van opa Jiří: Over de gehele lengte van de verste wand stond een mahonie boekenkast met op zijn minst duizend boeken en daarvoor een zogenaamd Amerikaans bureau, eveneens donker, met gebogen rolluikjes waaronder een schrijfmachine en een hoop andere schrijfwaren verborgen waren, inclusief zegellak, een familiestempeltje en een briefopener.

‘Gaat u zitten,’ zei opa Jiří in de richting van de lederen fauteuil knikkend.

‘Lust u wortelsalade?’ vroeg oma Líba die uit de keuken kwam aangesneld.

‘Al ruim twintig jaar,’ zei opa naargeestig en stak een sigaret van het merk Dux op.

‘Aan jou vraag ik het niet,’ zei oma pesterig glimlachend. ‘Ik vraag het aan de ingenieur hier.’

‘Ik eet alles,’ zei Kvido’s vader naar waarheid. ‘Maakt u zich geen zorgen.’

‘Wees maar niet bang,’ zei Kvido’s moeder enigszins geheimzinnig. ‘Dat doet mama helemaal niet.’

Ondanks dat opa noch oma zich van een zekere minimale behoedzaamheid konden vrijwaren (Kvido’s moeder was per slot van rekening hun enige dochter), verliep het bezoek boven verwachting goed. Kvido’s vader stelde zich op geen enkele wijze aan en koos zijn woorden met zorg, zodat opa hem veel sympathieker vond dan de meeste van die jonge acteurs, dichters en toneelschrijvers, die hier hun eigen teksten kwamen voorlezen, opa de schuld gaven van de verschrikkingen van de jaren vijftig en rode wijnvlekken op zijn tafel maakten.

‘Kom nog eens langs,’ zei hij hem bij het afscheid haast kortaf, maar Kvido’s moeder wist op dat moment dat Kvido’s vader geslaagd was.

 

3.‘Ik was dus een onvoldragen kind,’ vertelde Kvido.

Uit de roman Báječná léta pod psa (Schitterende jaren beneden elk peil) die eind 1994 bij uitgeverij Wereldbibliotheek zal verschijnen.