I
Al wat men uitspreekt
of inslikt
heeft overnacht bij het lichtschuwe zintuig
dat achter de valse of vaste tanden
zijn vlezig bestaan in de schemering leidt
nadat het geleerd heeft
te spreken
verschanst het zich gaandeweg in zijn spraak
de mond verleent woorden
een schutkleur van eenvoud
die weer
bij wijze van spreken
gestalte geeft aan poëzie
II
Poëzie is bestaand
als zij over de tong gaat
ze leeft van gerucht
dat men steeds in de mond neemt
de tong die de taal tot
in haar teerste vliezen raakt
brengt het vers
als genitaal
een oogwenk buiten zinnen
III
Een vis in de sluis
tussen binnen en buiten
een slak zonder huis
die onder het blote gehemelte slaapt
een hamster die taalzaad
in elke wangzak bewaart
IV
De mond gaat open als een gouden doos,
de tong zwemt rond en zendt de woorden uit
bij tussenpoos
liefde en poëzie
worden altijd met lippen beleden
wat tussen kop en kont
als chemiese reaktie is begonnen
krijgt gestalte
als het in een zin is uitgemond
liefde en poëzie
worden daarom met lippen beleden
de mond gaat open als een gouden doos,
de tong zwemt rond en zendt woorden uit
bij tussenpoos
V.1
Een slaaf, een zweep, een snotvis
in het half aquaties rijk
van vliezen, speeksel, slijm
achter beslagen palissaden
tussen licht en donker
woelt hij rusteloos in slikken
of hij sluimert op de ademtocht
die telkens langs hem strijkt
V.2
Hoewel door spijs gestreeld
toont hij zich toch gebeten
hij brengt in opspraak
wat verzwegen wordt
en striemt
wat hij niet lust
hij maakt de tongen los
maar blijft gekluisterd
aan het doorgangshuis
waar alles klam is
en hij machteloos
de groene achterkant der tanden kust
V.3
Zo vanzelfsprekend
bedien ik mij van de mond
dat ik de slaaf vergeet
die voedsel geeft aan mijn gedachten
levenslang tot lippendienst
gedwongen
woedt hij de geknechte meester
van mijn mond
als ik praat terwijl ik eet
voelt hij hoe brood en taal
elkaar beminnen in zijn kot
hij wroet hunkerend
tussenbeide –
lenig zwijntje, lekker
wentelend in de brij
Maar geen tong kan liefde lang verkroppen
als de zip gereed ligt en het brood
ontkleed, stoot hij de woordkluit
uit en schrokt de rest naar binnen
VI
Geen zinnebeeld meer maar een beeld
van de zinnen
voor douwe jan bakker wiens spreek-elementen (pronounceables) de eerste aanleiding vormden