
ik wacht opdat er niets
gebeurt dan eb en vloed
het slijten van de rots
waarop de toren staat –
mijn funktie is voorkomen
de beste wachter hij die
aan het slot kan zeggen:
ik heb gewacht – dus
niets gebeurd
1
Lichthuis, het baken op het dak
verlaten door de wachter en diens vrouw
(vuurtorens worden tegenwoordig per computer bestuurd)
het houten gebouw, eens vuurrood, maar grauwer nu
nasmeulend op de top van de rots
omkranst met meeuwennesten
‘s Nachts hoorde hij ze bonzen tegen het glas
dode meeuwen, dode zeelui vond hij ‘s morgens in het gras
misschien kwam het daardoor of omdat
zijn vrouw achter het wasgoed in de mist verdween
dat hij aan het vogelhuis begon:
exacte replica, kompleet met veranda, even rood
In de hoop op de komst van een huiselijker vogel
dan die eeuwige meeuwen met hun geschreeuw
een kakatoe of tamme kraai (hun schip vergaan)
het mooiste uiteraard een papegaai met wie hij
spreken zou nu zijn vrouw was uitgepraat
maar niemand kwam – het zelfgemaakte vogelhuis bleef leeg
Mist en sneeuw en in de lente in de verte
voorbijtrekkende ijsbergen, fonkelend
en schommelend in een bed van schuim of knallend
kalvend in de nacht als zij daar lagen naast elkaar
ieder verlangend naar een vriend voor wie eten
klaar stond, hun deur altijd aan
Alleen de huizen bleven staan
het grote naast het kleine seinend
in de nacht (de kustwacht sloot in een
frivole bui ook het vogelhuis op de
computer aan) seinend: kijk uit –
vaar weg – blijf bij dit licht vandaan.
2
Hij richt een lamp op zee
een zaklantaren van uitzonderlijk formaat
draait op de golven rond
het grijze weerschip kraakt
zwaar weer op komst
hij op zijn eentje op de kaap
radio aan
speelt schaak tegen zichzelf
zwaar weer
Meeuwen kantelen af en aan
er wordt goddank geen daad gesteld
het gaat zijn gang: een paardesprong
brengt hem aan tafel in vervoering
niet kwaad
buiten woedt het winterweer
als een kinkhoorn raakt hij
steeds verder in zichzelf gedraaid
Even later
een waarnemer (als die er was)
wat zou hij zien
niets dan een lege toren op een kaap
de meeuwen en het spattend schuim
een zwaaiend zoeklicht
iedere tien sekonden en
binnenin op de gelakte tafel
de sprong van het verdwenen paard.
3
Een sloep langszij
‘t balkon gebonden: zo
staat het huis erbij
In alle vensterbanken
plantenbakken
voor ieder raam de zee
Op poten (stelten eerder)
troont het met een lichtbak
midden in de baai
Een schipper knikt
dit is het dit wat
een mens doet binnenvaren
Standvastigheid: een tafel
vier stoelen, een staande klok
in wankel evenwicht
In weer en wind gebonden
aan wetten van zilte
huiselijkheid
Net nog te pruimen
op vlottend grondsop
geborgen
maar met een sloep langszij.
4
Wiens bed aan zee staat
huist al half in water
Zijn interieur niet ingericht
met oog op later maar
Om de loopplank van de vloer
alleen als drempel te gebruiken
De tafel leeg de stoel uitsluitend
als springplank om vanaf te duiken
Zo kan dit huis getimmerd op een klip
in een oogwenk worden omgebouwd tot schip.